Aangetekende post: waarom ‘ontvangen’ niet altijd ‘ontvangen’ betekent
Stel je voor: je stuurt een belangrijke brief aangetekend naar jouw huurder, waarin je een opzegging of ingebrekestelling meedeelt. Je krijgt een track‑and‑tracemelding en alles lijkt netjes geregeld. Maar een paar weken later zegt de huurder: “Sorry, ik heb niets ontvangen” of de brief wordt niet aangenomen of niet opgehaald. Plotseling sta je met lege handen, terwijl jij dacht dat alles geregeld was.
Veel mensen zien aangetekende post nog altijd als hét bewijs dat een belangrijke brief zeker bij een ander is aangekomen. En eerlijk: dat idee voelt ook logisch. Je krijgt een track‑and‑trace, er wordt iets getekend, en via de registraties lijkt er geen discussie mogelijk.
Ontvangsttheorie
Juridisch ligt dat echter genuanceerder. Op grond van de ontvangsttheorie, neergelegd in artikel 3:37 lid 3 BW, heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking wanneer zij die persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Aangetekende verzending levert in beginsel slechts bewijs van verzending op en niet zonder meer van ontvangst. Als de geadresseerde stelt de brief niet te hebben ontvangen, kan de verzender dus alsnog tegen een bewijsprobleem aanlopen.
De laatste jaren laten verschillende rechtelijke uitspraken zien dat rechters steeds kritischer kijken naar de betrouwbaarheid van aangetekende post. Dat kan grote gevolgen hebben als het gaat om termijnen, bezwaarprocedures of juridische stappen die afhangen van ontvangst van een belangrijke brief of een ander stuk. Moet de praktijk wellicht een alternatief hanteren?
Rechtspraak
Het idee dat een aangetekende postzending automatisch betekent dat iemand de brief ontvangen heeft, is diepgeworteld. Maar recente rechtspraak laat zien dat dit niet zonder meer zo hoeft te zijn.
Bijvoorbeeld in een uitspraak van de Rechtbank Midden‑Nederland van 19 december 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6846). In die zaak betwistte de ontvanger dat hij een afhaalbericht had ontvangen. De rechtbank stelde onder andere dat simpelweg vertrouwen op een melding in het digitale systeem van PostNL niet voldoende is om ontvangst als vaststaand feit aan te nemen. Daarvoor moet de rechter juist kijken naar wat er daadwerkelijk is gebeurd bij de bezorging, en niet alleen naar een bolletje op internet.
Hetzelfde speelde eerder in een andere uitspraak van de Rechtbank van Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:5208), waarin de rechter oordeelde dat een geadresseerde niet zwaar hoeft te bewijzen dat hij de brief niet heeft ontvangen. Als hij aannemelijk maakt dat er geen afhaalbericht is gezien of dat de bezorging niet duidelijk is geweest, kan dat genoeg zijn om twijfel te zaaien over de ontvangst.
Hoge Raad 2024: bewijsvermoeden onder druk
Deze interessante ontwikkeling blijkt ook uit een recente conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2024:355). De advocaat-generaal plaatst daarin kritische kanttekeningen bij de betrouwbaarheid van de bezorging van aangetekende post en de waarde die zonder meer kan worden toegekend aan PostNL-registraties.
De advocaat-generaal wijst erop dat zelfs PostNL erkent dat de bezorging van aangetekende post niet altijd vlekkeloos verloopt. Track-and-trace-gegevens, afhaalberichten en handtekeningen geven niet in alle gevallen een volledig of betrouwbaar beeld van wat er feitelijk bij de geadresseerde of bij PostNL is gebeurd. Dat roept de vraag op of aan dergelijke gegevens steeds het vermoeden kan worden ontleend dat een aangetekend stuk op regelmatige wijze is aangeboden. Wanneer de ontvangst gemotiveerd wordt betwist, zal de rechter daarom niet zonder meer volstaan met een verwijzing naar de automatische registraties, maar de betrouwbaarheid van de bezorging in het concrete geval moeten beoordelen.
Deze conclusie geeft duidelijk aan dat het voorgaande onder druk staat. Rechters kijken steeds vaker naar de feiten en omstandigheden rond de bezorging en zullen een registratie van PostNL niet zomaar als sluitend bewijs beschouwen.
Het idee dat aangekomen aangetekende post automatisch ook daadwerkelijk ontvangen is, staat juridisch gezien flink ter discussie.
Wat dit betekent voor in de praktijk
Misschien denk je: “Oké, maar wat betekent dat nou voor de dagelijkse praktijk?” Best veel, namelijk.
Stel dat je een bezwaarbrief, ingebrekestelling of een termijngevoelige kennisgeving via aangetekende post verstuurt. Als de ontvanger later zegt: “Nee, ik heb die brief nooit gehad”, dan kan een rechter dat serieus nemen, ook al staat er bij PostNL dat een afhaalbericht is achtergelaten. Dat kan ertoe leiden dat jouw vordering wordt afgewezen omdat je niet hebt aangetoond dat de brief écht in goede orde is ontvangen door de ontvanger.
En dat gebeurt niet alleen in theorie. Rechters verwijzen expliciet naar de problemen in de bezorging van aangetekende post en wegen die mee in hun beslissing.
Gevolgen
Dit heeft gevolgen voor onderwerpen waar veel mensen en bedrijven dagelijks mee te maken hebben. Denk aan termijnen in bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij het cruciaal is dat ontvangst wordt aangetoond. Maar ook contractuele kennisgevingen of ingebrekestellingen, waarvan de rechtsgevolgen afhankelijk zijn van de exacte ontvangstdatum, kunnen hierdoor worden beïnvloed. Daarnaast speelt het bij communicatie richting klanten of tegenpartijen, zoals bij opzeggingen of waarschuwingen.
Als je blijft vertrouwen op de klassieke gedachte “aangetekend = veilig”, loop je het risico dat een rechter daar anders over oordeelt en dat jouw bewijs uiteindelijk wankel blijkt.
Tip voor de praktijk
Wie zekerheid wil over ontvangst, doet er goed aan niet op één verzendmethode te vertrouwen. Aangetekende post kan worden gecombineerd met digitale bewijslevering, zoals e-mail met ontvangstbevestiging of tijdstempel, of digitale aangetekende verzendingen.
Gaat het echter om juridisch cruciale verklaringen zoals opzeggingen, ingebrekestellingen of termijngevoelige kennisgevingen dan biedt betekening via een gerechtsdeurwaarder de meeste zekerheid. Een deurwaardersexploot levert dwingend bewijs op van aanbieding en geldt juridisch als ontvangen, ook als de geadresseerde weigert de brief in ontvangst te nemen of niet thuis is.
Door deze methode te combineren met andere vormen van verzending en goede documentatie, minimaliseer je het risico op bewijsproblemen en sta je juridisch sterker.
Conclusie
Aangetekende post is nog steeds bruikbaar, maar vormt niet langer vanzelfsprekend sluitend bewijs van ontvangst. Rechters kijken steeds kritischer naar de feitelijke gang van zaken rond de bezorging.
Wie écht op veilig wil spelen, combineert verschillende verzendmethoden en documenteert alles zorgvuldig. En wanneer de rechtsgevolgen groot zijn, biedt betekening door een gerechtsdeurwaarder nog altijd de hoogste mate van juridische zekerheid.
Legal8