
Wanneer weegt de onderzoeksplicht zwaarder dan de mededelingsplicht in B2B-verhoudingen?
In B2B-verhoudingen rijst regelmatig de vraag hoe risico’s worden verdeeld bijvoorbeeld wanneer een product na levering gebrekkig blijkt te zijn. Centraal staat daarbij vaak het spanningsveld tussen de mededelingsplicht van de verkoper en de onderzoeksplicht van de koper. Wanneer mag een koper vertrouwen op de informatie van de verkoper en wanneer rust op hem een zelfstandige plicht om (nader) onderzoek te verrichten? En hoe ver reikt die onderzoeksplicht in de praktijk?
Geen algemene onderzoeksplicht voor de verkoper
Hoewel er geen algemene onderzoeksplicht bestaat, kan in de praktijk toch van een verkoper worden verwacht dat hij nader onderzoek verricht of informatie verstrekt. Dit volgt uit verschillende juridische leerstukken en wetsartikelen. Zo moet een product op grond van conformiteit (art. 7:17 BW) voldoen aan wat de koper redelijkerwijs mag verwachten. Als een verkoper een gebrekkig product levert, kan hij daarvoor aansprakelijk zijn, ook als hij het gebrek niet kende. Daarnaast kan sprake zijn van dwaling (art. 6:228 BW) wanneer de koper de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten als hij wel de juiste informatie zou hebben gehad. In dat geval kan het ontbreken van informatie voor rekening van de verkoper komen.
Ook kunnen partijen contractuele garanties afspreken, waardoor de verkoper verdergaande verplichtingen op zich neemt dan de wet vereist. Tot slot spelen de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW) een rol. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat van een verkoper in bepaalde situaties meer mag worden verwacht, bijvoorbeeld dat hij bepaalde informatie actief deelt met de koper.
Uitgangspunt: mededelingsplicht gaat in beginsel voor
In de rechtspraak is aanvaard dat de mededelingsplicht van de verkoper in beginsel zwaarder weegt dan de onderzoeksplicht van de koper. Een verkoper mag relevante informatie die voor de koper van belang is, dus niet achterhouden. Dit geldt ook tussen professionele partijen. Van een koper mag weliswaar onderzoek worden verwacht, maar dat ontslaat de verkoper niet van zijn verplichting om essentiële informatie te delen. Tegelijkertijd is in de rechtspraak en literatuur een ontwikkeling zichtbaar waarbij de onderzoeksplicht van de koper een steeds grotere rol speelt. Met name in B2B-verhoudingen wordt van professionele partijen en dus ook van een koper verwacht dat zij actief onderzoek verrichten. Een koper kan zich niet zonder meer beroepen op het ontbreken van informatie wanneer hij zelf aanleiding had om nader onderzoek te doen. Dit betekent dat het klassieke uitgangspunt, waarin de mededelingsplicht vooropstaat, in de praktijk wordt genuanceerd. De beoordeling verschuift naar een afweging van beide plichten.
Wanneer weegt de onderzoeksplicht zwaarder?
De onderzoeksplicht van de koper kan zwaarder wegen wanneer van hem redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij zelf onderzoek verricht. Dat is met name het geval indien:
- de verkoper aangeeft beperkte kennis van de zaak te hebben, bijvoorbeeld bij gebruik van een niet-bewoningsclausule;
- er concrete aanwijzingen zijn dat er iets mis kan zijn;
- de koper beschikt over specifieke deskundigheid;
- het gebrek relatief eenvoudig te ontdekken is;
- de koper de gelegenheid heeft gehad om onderzoek te verrichten.
In dergelijke gevallen kan het uitblijven van onderzoek voor rekening van de koper komen. De grens tussen beide plichten is niet scherp afgebakend en hangt af van de omstandigheden van het geval. Relevante factoren zijn onder meer:
- de aard van de zaak;
- de deskundigheid van partijen;
- de kenbaarheid van het gebrek;
- de inhoud van de overeenkomst en eventuele garanties.
Beslissend is steeds of de koper redelijkerwijs op de mededelingen van de verkoper mocht vertrouwen of dat van hem verwacht mocht worden dat hij zelf onderzoek deed. De invulling van deze plichten kan verschillen per sector. In de vastgoedpraktijk wordt de mededelingsplicht van de verkoper doorgaans zwaar gewogen, met name bij gebreken die voor de koper niet eenvoudig kenbaar zijn. Tegelijkertijd rust op de koper, zeker bij de aankoop van oudere woningen of wanneer gebruik wordt gemaakt van clausules zoals een ouderdoms- of niet-bewoningsclausule, een vergaande onderzoeksplicht. Van de koper mag in dergelijke gevallen worden verwacht dat hij actief onderzoek verricht naar de staat van de woning. Bij roerende zaken, zoals machines of voertuigen, ligt de balans vaker anders. Gebreken zijn in dergelijke gevallen vaak zichtbaar of door relatief eenvoudig onderzoek vast te stellen. Van een professionele koper mag dan sneller worden verwacht dat hij zelf onderzoek verricht.
Voorbeeld en conclusie
Een professionele verkoper verkoopt een tweedehands machine. De koper laat geen onderzoek uitvoeren, terwijl er signalen zijn dat de machine intensief is gebruikt. Indien zich later een gebrek voordoet dat bij eenvoudig onderzoek aan het licht had kunnen komen, kan het ontbreken van onderzoek voor rekening van de koper komen. Dit kan anders zijn indien de verkoper relevante informatie heeft verzwegen of onjuiste mededelingen heeft gedaan.
De verhouding tussen mededelingsplicht en onderzoeksplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hoewel de mededelingsplicht van de verkoper een belangrijk uitgangspunt vormt, speelt de onderzoeksplicht van de koper in de praktijk een steeds grotere rol. Dit geldt in het bijzonder in B2B-verhoudingen, maar ook in situaties waarin de koper rekening moet houden met een verhoogd risico, zoals bij de aankoop van oudere woningen. Voor de praktijk betekent dit dat zowel verkoper als koper dienen te handelen: de verkoper door relevante informatie te delen, en de koper door, waar nodig, zelfstandig onderzoek te verrichten. De kernvraag blijft steeds of de koper redelijkerwijs op de mededelingen van de verkoper mocht vertrouwen. Waar de grens precies ligt, laat zich niet in algemene zin vaststellen en zal steeds per geval moeten worden beoordeeld.
Vragen?
Neem gerust contact met ons op.