
Werknemer is bijna 2 jaar ziek en meldt zich ineens beter. Recht op loon?
Wat gebeurt er als een werknemer na bijna twee jaar arbeidsongeschiktheid ineens laat weten volledig hersteld te zijn en weer aan het werk wil? Moet de werkgever de werknemer dan weer toelaten tot het werk en loon betalen? Nou, niet per se. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een recente uitspraak van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland.
Werknemer is bijna 2 jaar ziek en meldt zich ineens beter. Recht op loon?
De werknemer in deze zaak was sinds 2011 in dienst bij zijn werkgever als directeur. Zijn salaris bedroeg € 17.114,76 bruto per maand. Op 8 april 2024 viel hij uit wegens ziekte. Al snel bleek dat niet alleen sprake was van medische klachten, maar ook van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts adviseerde daarom meerdere keren mediation. Gedurende de daaropvolgende periode bleef de werknemer volgens de bedrijfsarts arbeidsongeschikt. Ook begin 2026 was hij nog maar zeer beperkt belastbaar voor zijn eigen of ander werk. Op 11 maart 2026, en dus vlak voordat de loondoorbetalingsperiode van 104 weken zou eindigen, was het oordeel van de bedrijfsarts duidelijk: de werknemer was als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat zijn eigen werkzaamheden te verrichten en het was niet aannemelijk dat hij binnen 26 weken volledig zou kunnen hervatten. Maar slechts twee weken later op 27 maart 2026, liet de werknemer aan zijn werkgever weten dat zijn gezondheid inmiddels zodanig was verbeterd dat hij zijn werkzaamheden weer kon hervatten. Hij stelde zich daarom volledig beschikbaar voor werk.
De werkgever accepteerde de hersteldmelding niet. Daar is natuurlijk ook wel wat voor te zeggen. De bedrijfsarts heeft de werknemer vervolgens op 6 mei 2026 opnieuw beoordeeld en concludeerde dat er weliswaar sprake was van verdere verbetering, maar dat nog steeds beperkingen bestonden. De werknemer was volgens de bedrijfsarts dus nog altijd niet volledig arbeidsgeschikt voor zijn eigen functie. Daar kwam nog iets bij: het arbeidsconflict tussen partijen was nog steeds niet opgelost. Volgens de bedrijfsarts vormde dat een belangrijke belemmering voor herstel en duurzame re-integratie.
De werknemer legde de kwestie voor aan het UWV. Op 24 juni 2026 bracht de verzekeringsarts een deskundigenoordeel uit. Daarin stond kort gezegd dat de werknemer per 27 maart 2026 geschikt kon worden geacht voor zijn werk. Daar zat wel een belangrijke voorwaarde aan vast: de verzekeringsarts schreef namelijk dat de werknemer geschikt was voor zijn werk mits mediation had plaatsgevonden. En dat was op dat moment nog niet het geval. De werknemer zag het deskundigenoordeel als bevestiging dat hij zich terecht volledig hersteld had gemeld. De werkgever dacht daar anders over. Partijen zijn vervolgens bij de kantonrechter uitgekomen.
Kantonrechter
Tijdens arbeidsongeschiktheid bestaat gedurende maximaal 104 weken een wettelijke verplichting voor de werkgever om het loon (of een deel daarvan) door te betalen. In deze zaak was die periode op 8 april 2026 verstreken. Na die periode bestaat er in beginsel geen recht meer op loon wegens ziekte. Maar er kan natuurlijk een andere situatie ontstaan. Als de werknemer na die periode daadwerkelijk arbeidsgeschikt is en zich beschikbaar stelt voor het verrichten van zijn werkzaamheden, kan het uitblijven van werk onder omstandigheden voor rekening van de werkgever komen. De werknemer stelde dat hij vanaf 27 maart 2026 volledig arbeidsgeschikt was, zich beschikbaar voor werk had gesteld en dat de werkgever hem vervolgens ten onrechte niet tot het werk had toegelaten. De kantonrechter moest met name beoordelen of voldoende aannemelijk was dat de werknemer inderdaad volledig arbeidsgeschikt was. Interessant is dat de werknemer zich nadrukkelijk beriep op het hiervoor genoemde deskundigenoordeel van het UWV.
Kantonrechter volgt deskundigenoordeel niet (althans…)
De rechter benadrukt dat een deskundigenverklaring niet zonder meer gevolgd hoeft te worden. In deze zaak kende de kantonrechter aan het deskundigenoordeel geen doorslaggevende betekenis toe. Volgens de kantonrechter was onder meer geen hoor en wederhoor toegepast en was het oordeel van de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast vond de kantonrechter het van belang dat de bedrijfsarts gedurende langere tijd consequent had geoordeeld dat sprake was van medische beperkingen én een arbeidsconflict.
Daarbij keek de kantonrechter ook kritisch naar de formulering van het deskundigenoordeel. De verzekeringsarts had namelijk niet simpelweg geconcludeerd dat de werknemer zonder meer volledig arbeidsgeschikt was. Er stond dat hij geschikt was voor zijn werk mits mediation had plaatsgevonden. En die mediation had zoals benoemd niet plaatsgevonden. Dat was volgens de kantonrechter relevant, zeker omdat de bedrijfsarts al langere tijd benadrukte dat het arbeidsconflict een belangrijke belemmering vormde voor herstel en duurzame werkhervatting. Dat zij inmiddels in rechte waren aanbeland, ondersteunt die visie alleen maar meer.
De conclusie van de kantonrechter is duidelijk. De werknemer heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 27 maart 2026 daadwerkelijk in staat was om zijn overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Omdat de periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte inmiddels was verstreken, bestaat er vervolgens geen grond voor verdere loonbetaling.
Wat kunnen werkgevers hiervan opsteken?
Deze uitspraak laat wat ons betreft vooral zien dat een werkgever een hersteldmelding na een lange periode van arbeidsongeschiktheid niet altijd klakkeloos hoeft te accepteren. Dat betekent evenwel niet dat een werkgever zelf kan bepalen of een werknemer ziek of beter is. De medische beoordeling ligt bij de bedrijfsarts en uiteindelijk kan ook het UWV worden ingeschakeld. Maar als er na een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid plotseling een hersteldmelding komt, terwijl de bedrijfsarts kort daarvoor nog tot een heel ander oordeel kwam, is het verstandig om de situatie goed te laten beoordelen.
Ook het deskundigenoordeel van het UWV is niet automatisch het laatste woord. De kantonrechter kan een deskundigenoordeel kritisch beoordelen. Daarnaast blijkt opnieuw hoe belangrijk een arbeidsconflict kan zijn in een re-integratietraject. In deze zaak liep het conflict als een rode draad door het gehele dossier. De bedrijfsarts wees er herhaaldelijk op dat oplossing van het conflict noodzakelijk was voor herstel en duurzame werkhervatting.
En werknemers?
Ook voor werknemers bevat deze uitspraak een belangrijke les. Een werknemer die na een langdurige periode van ziekte van mening is dat hij weer volledig arbeidsgeschikt is, doet er verstandig aan die stelling goed te onderbouwen. Alleen zeggen dat je je weer beter voelt en beschikbaar bent voor werk, hoeft niet voldoende te zijn als de medische informatie daartegenover toch net iets anders luidt. Zeker wanneer de werknemer een loonvordering wil instellen, kan de vraag of hij daadwerkelijk arbeidsgeschikt was uiteindelijk doorslaggevend zijn. Ook een deskundigenoordeel van het UWV biedt niet in alle gevallen zekerheid. De inhoud en onderbouwing van dat oordeel zijn van belang en de rechter hoeft het oordeel niet zonder meer te volgen.
Deze uitspraak laat in ieder geval zien dat een plotselinge hersteldmelding na bijna twee jaar ziekte niet automatisch betekent: “dus vanaf morgen weer volledig aan het werk én loon betalen”.
Deze uitspraak is te lezen via de volgende link:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:11876